Lineaire functies zijn de meest eenvoudige functies.
Hieronder zie je een aantal voorbeelden:
1.
f(x) = x
Dit is de meest eenvoudige vorm. Hierbij hebben x en y steeds dezelfde waarde.

2.
g(x) = x + 1
Hierbij is de waarde van y steeds 1 hoger dan de waarde van x.

3.
h(x) = -x + 10
Hierbij is bij x = 0, y = 10 en gaat er per stap van x, 1 van de y waarde af.

4.
i(x) = 3x -15
Bij deze functie gaat bij elke stap van x, de y waarde met 3 omhoog. Het startgetal is hier -15.

INFO:
Op het moment dat er in een functie alleen een x staat en verder geen +… of -… , heet een lineaire functie een “recht evenredig verband”.
Dit gebeurt wanneer een lijn door de oorsprong heen gaat. (0,0)
Als het getal voor de x 0 is en de waarde van y constant is, is er sprake van een constante functie.
Hoe stel je een functievoorschrift op bij een lijn?
Zie onderstaande afbeelding:

Bij x = 0 is y = 7. Dit betekent dat het startgetal, 7 is.
Nu willen we het RC (RichtingsCoëfficient) weten.

Om het RC te bepalen, maak je een tabel.
| x | y |
| -2 | 4 |
| 0 | 7,5 |
| 2 | 10 |
Je deelt de verandering van y door de verandering van x.
2,5 / 2 = 1,25
Nu we het RC hebben, willen we een functievoorschrift maken.
Dit doen we door te beginnen met een letter en “(x) =”.
f(x) =
Daarna gaan we RC invullen met daarna een x, gevolgd door het startgetal.
f(x) = 1,25x + 7