Algebra is bij wiskunde heel belangrijk. Je gebruikt letters om een waarde aan te geven.
Voorbeeld: a = 3
Je kunt met letters en cijfers combineren om een product te krijgen.
Voorbeeld: “6a = 18”
Tussen de 6 en de a staat een verborgen vermenigvuldigingsteken.
“6a” betekent dus “6*a”.
Vaak krijg je te maken met het volgende:
27b = 81
Hierbij wil je weten wat b is i.p.v. 27b. Dat doe je door de getallen aan beide kanten te delen door het getal voor de letter:
27b / 27 = b
81 / 27 = 3
b = 3
De manier hoe algebra het meest wordt gebruikt is in grafieken.

De horizontale as wordt meestal de “x-as” genoemd en de verticale as wordt meestal de “y-as” genoemd.
Je kunt met x=… en y=… een coördinaat aangeven in het assenstelsel.
Voorbeeld: x=2, y=3
