Klassen

Je kunt gegevens verdelen in klassen. De klassengrenzen zijn de hoogste en laagste waarnemingen van een klasse. Voorbeeld van een klasse in de intervalnotatie:
[11,15>
De bovenstaande klasse is hetzelfde als de onderstaande.
[11,14]
Uit de gegevens die je krijgt maak je verschillende klassen die even groot zijn. Elke klasse heeft een klassemidden. Dit is het middelste getal dat bij de reeks hoort. Dit reken je als volgt uit:
(Hoogste + laagste waarneming) / 2

De klassenbreedte (of spreidingsbreedte) = de bovengrens – de ondergrens