Functies

Bij wiskunde zijn er verschillende soorten functies:

Bij een formule gebruik je meestal y = … en bij een functie gebruik je een letter gevolgd door “(x)
Voorbeeld: f(x) = …
y
wordt hier dus vervangen door f(x). Je kunt de waarde van x op deze manier makkelijker in de formule invullen.
Voorbeeld: f(2) = 3
Dit behoort bij het coördinaat x = 2, y = 3

Coördinaten in een assenstelsel kunnen kort opgeschreven worden met: (x,y)
Voorbeeld: x = 3 en y = 5 -> (3,5)
Als er een decimaal getal als coördinaat is, gebruik je een puntkomma i.p.v. een normale komma om de x en y te scheiden.
Voorbeeld: x = 2,5 en y = 6 -> (2,5;6)
Ook kun je een breuk gebruiken, waardoor een puntkomma niet nodig is.
Voorbeeld: x = 2,5 en y = 6 -> (2½,6)

Credit:
Afbeeldingen op deze pagina’s komen van www.geogebra.org/graphing